De ramingen moeten met de nodige omzichtigheid worden geïnterpreteerd. Ze zijn gebaseerd op de macro-economische prognoses van het Centraal Planbureau van maart 2009, waarin de krimp van het bruto binnenlands product (BBP) voor 2009 en 2010 werd berekend op respectievelijk 3,5 en 0,25 procent. Inmiddels heeft het CPB in juni nieuwe ramingen gepubliceerd. Daarin wordt uitgegaan van een sterkere terugval van het BBP dan in maart nog werd aangenomen. Voor 2009 wordt nu uitgegaan van een krimp van de economie met 4,75 procent en voor 2010 wordt nu een daling van 0,5 procent verwacht. Daar staat tegenover dat de overheid recent concrete stimuleringsmaatregelen heeft aangekondigd ter ondersteuning van de economie. Sommige van deze maatregelen grijpen ook direct in op de bouwproductie. Beide, de nieuwe raming van de ontwikkeling van het BBP en de invloed van de stimulering van de economie, zijn nog niet in de nu voorliggende bouwmarktramingen verwerkt. De stimuleringsmaatregelen raken de bouw op twee manieren. In de eerste plaats is er een indirect effect. Via de extra economische groei die uit de maatregelen voortvloeit, ondervindt ook de bouw extra vraag als gevolg van de groeiende behoefte aan investeringsgoederen. Het indirecte effect wordt met een vertraging voelbaar. In de tweede plaats is er sprake van een mogelijk direct effect. Dit kan verwacht worden indien en voor zover bepaalde stimuleringsmaatregelen specifiek op de bouw gericht zijn. Van de maatregelen die thans worden geïmplementeerd beoogt een aantal direct de bouw te stimuleren. Het gaat onder andere om de volgende projecten/ plannen:
- garantiestellingen in de sfeer van de woningbouw (verhoging borgingsgrensNHG);
- versnelde uitvoering van projecten met bijdragen uit het FondsEconomische Structuurversterking (FES) op het gebied van milieu, duurzaamheid en ruimtelijk economisch beleid (sleutelprojecten);
- versnelde uitvoering van FES projecten in de infrastructuur;
- intensivering en versnelling van renovatie, onderhoud en bouw van zorg- en AWBZ-instellingen;
- uitbreiding onderhoud en bouw van jeugdzorginstellingen;
- uitbreiding isolatie, onderhoud en bouw van scholen;
- intensivering van de bouw van multifunctionele accommodaties voor brede scholen;
- intensivering bouw duurzame stallen;
- versnelling bouwprojecten (BLS bijdragen voor woningen);
- onderhoud en restauratie van monumenten;
- versnelling stedelijke vernieuwing (ISV);
- versnelling renovatie van bruggen en wegen;
- groot onderhoud aan vaarwegen, sluizen en binnenhavens.
Als de directe ingrepen ter stimulering van de vraag naar diensten van de bouw effect sorteren, zal dit dus vooral gevoeld worden in de grond-, water- en wegenbouw, de nieuwbouw van woningen en de renovatie (restauratie) van gebouwen. Met name een conjunctuurgevoelige sector als de nieuwbouw van utiliteitsgebouwen ondervindt er weinig of geen steun van. Het is dus niet 20 uitgesloten dat de laatstgenoemde sector onder invloed van de verder verslechterende economie op korte termijn nog dieper zal wegzakken dan op dit moment wordt voorzien.
In figuur 3.1 is de verwachte ontwikkeling van het productievolumen in de B&U in de periode tot 2014 in beeld gebracht. Het blijkt dat het herstel dat op alle onderdelen van de markt vanaf 2012 wordt voorzien voor de meeste deelmarkten nog niet sterk genoeg is om het verlies goed te maken dat in de jaren 2009-2011 wordt opgelopen. De onderhoudsmarkt vormt hierop een uitzondering. In deze sector wordt al in 2011 herstel verwacht. Vanwege de relatief beperkte terugval in de jaren 2009 en 2010 bereikt het productievolume hier in 2012 weer het niveau van 2008.
